Op zoek naar jezelf, maar stel dat je niets vindt?

8 juli 2016

Voor iemand die de hele dag druk is met taal, gaat het bij mij toch vaak mis in de communicatie. Zo moest ik een keer de dochter op woensdag-papadag van school halen. De Lange Man had het druk. Prima. Maar tijd en ik zijn geen vrienden – sterker nog, wij negeren elkaar zo veel mogelijk, behalve op de momenten dat hij me in de rug aanvalt dan. Of die twee keer per jaar dat ik een poging doe om de strijd te winnen, inclusief horloge, agenda en het onmisbare, te dure time management-gadget du saison. Hopeloos uiteraard.

Anyway, ik wil geen huilend kind, verwijtende telefoontjes van school of meewarige blikken van Goede Moeders, dus ik vraag of ik nou om kwart voor of kwart over twaalf op het schoolplein moet staan. De Lange Man kwaad. ‘Ja, daar kom je nu mee! Ik vraag je één keer iets voor mij te doen. Waarom moet ik altijd alle shit opknappen in deze relatie?’ Dus ik denk a) Huh? en b) Ik ben met m’n moeder getrouwd. Ik zeg alleen het eerste, zo slim ben ik inmiddels wel. Blijkt dat hij mijn vraag opvatte als een aanloopje om onder de afspraak uit te komen. En daar gaat dus het mis.

Nu heeft de Lange Man niet het alleenrecht op dit soort kronkels, ook ik mis regelmatig de clou. Dat zwijgen niet per definitie toestemming betekent, daar ben ik inmiddels wel achter. Maar ik zie frustratie nog geregeld aan voor verwijt en opbouwende kritiek voor een uitnodiging om wereldoorlog drie te beginnen. Best lastig als je ook van harmonie houdt. Dus vond ik dat ik zowel mijn als zijn probleem moest oplossen. Misschien omdat ik een vrouw ben, misschien omdat taal mijn afdeling is, maar ik moest én duidelijker leren praten én beter leren luisteren. Dan kwam alles vanzelf goed. En op zo’n moment koop ik dus een boek. Geweldloze Communicatie van Marshall B. Rosenberg, werd het. Want daarmee ‘transformeren potentiële conflicten tot vreedzame dialogen’. Ik ging er stevig van in het leven staan, van zeggen wat ik wil en van horen waar het de ander om gaat, beloofde de achterflap verder.

Inmiddels heb ik het boek uit. Omdat een boek over Geweldloze Communicatie net zo nuttig is als een schriftelijke cursus boksen, heb ik een veel te kleffe training en ’n fijne concrete workshop gedaan. Ik heb straatjes gelopen, met giraffenoren geoefend en mijn jakhalzen omarmd. En het is waar. Het is een fantastische methode. In theorie dan, want het spreken van deze nieuwe taal is in de praktijk hinderlijk weerbarstig. In het boek verlopen dialogen netjes volgens de regels, meneer Rosenberg heeft altijd zicht op de behoeften van de ander én de juiste woorden paraat. Hij voelt zich ook zelden aangevallen. Kortom, hij is een held en aardig bovendien. Maar in mijn wereld doen mensen niet altijd leuk mee als je hun gevoelens en behoeften parafraseert. Ze blijven boos, gaan hard in de aanval of keihard in de ontkenning. En daar heb ik last van: ik ben bang dat ik het niet goed doe, ik vind dat ze best wat dankbaarder mogen zijn dat ik zo mijn best doe of op zijn minst een beetje op kunnen schieten met in contact komen met hun gevoelens. Waarom moet ik altijd alle shit opknappen in relaties?

Oh, hoi mam.