Op zoek naar jezelf, maar stel dat je niets vindt?

4 april 2016

Ik doe dus aan de vasten. Niet in de zin van niks eten (hoewel dat misschien best eens een goed idee zou zijn), maar in de zin van bezinning. En van het die veertig dagen tussen carnaval en Pasen nu eens niet doen wat je anders gedachteloos wel doet. Zo heb ik ooit veertig dagen lang niet te hard gereden. Vorig jaar at ik veertig dagen geen suiker. En dit jaar beperk ik het facebooken tot een (zakelijk) minimum. Het is zeker in het begin best moeilijk en elke mogelijke link met de kerk negeer ik fanatiek, maar het bevalt me eigenlijk wel. Eens goed naar je gewoonten kijken, een stapje terugdoen. En daarna komt er weer een stap vooruit.

Want na de vasten komt de ‘Paas’ en ook zo ongeveer mijn verjaardag.

Elk jaar denk ik weer terug aan mijn 38ste  verjaardag. Aan die zaterdag in 2009 waarop ik om acht uur ‘s ochtends (!) wéér in het ziekenhuis moest zijn, om mijn eicellen te laten inspecteren door wéér een arts die ik nog nooit eerder gezien had. Deze leek een beetje op Frank van Putten, het ‘Ja moeder-typetje’ van Wim de Bie.

Anyway, zaterdag, acht uur ’s ochtends plus een man tussen je benen die je ternauwernood een hand heeft gegeven is serieus een armoedig begin van je verjaardag. Maar ja, je wilde een kind, hebt de Lange Man eindelijk ook overtuigd en de klok tikt door. Dus moet je niet zeuren. Of toch? Is het met IVF en ICSI eigenlijk niet net als met mammografieën? Zou de medische wetenschap, als mannen deze ellende moeten ondergaan, allang een betere, minder belastende methode hebben uitgevonden? Want laat ik eerlijk zijn: het is niet leuk.

Het is al niet fijn als je niet zelf zwanger kunt raken, iets wat iedereen om je heen wel lijkt te kunnen. Om je te realiseren dat je ‘oud’ bent, dat je man te oud is om aan adoptie te beginnen en dat de kans dat de ICSI lukt maar 25% is. En dan moet het hele medische gebeuren nog beginnen. Het is niet leuk om jezelf elke dag – dus ook als je op visite bent bij je schoonzus – te moeten injecteren met god-weet-wat, terwijl je eng wordt van naalden. Het is niet leuk als je daar, in plaats van een heleboel eicellen, een cyste aan je eierstok van krijgt, die de dokter maar ‘meteen eventjes aanprikt’ met een naald van het formaat breinaald. Het is niet leuk als je niet genoeg eicellen hebt, en trouwens ook niet als je er teveel hebt. Het afzuigen van de rijpe eicellen met alleen een ‘oxazepammetje’ in je mik is heel erg niet leuk. En van het bevruchten heb je dan wel geen last, maar ook geen lol. Eigenlijk is alleen het terugplaatsen van een bevrucht eitje een soort van leuk. Oké, er zitten weer vreemde mensen tussen je benen, maar wie kan nou zeggen dat ze haar kind heeft gezien toen het nog maar acht cellen groot was? En dat heb ik dus. Want er kwam van deze tweede poging een dochter.

En of dat nou lag aan het feit dat ik de twee dagen na de terugplaatsing met de benen omhoog heb gelegen, aan de Chinese kruiden, acupunctuur en morele steun van Gilles Stoop of aan die foto van mezelf met zwangere buik die ik had gephotoshopt ter ondersteuning van de visualisatie van de innesteling (ja, een mens probeert eens wat) – het was gelukt. En dan zeur je dus nergens meer over. Zo is het dan ook wel weer.