Ik ben (niet) boos

27 oktober 2016

Boos. Ik doe daar dus niet aan. Dat onredelijke gedoe, nee hoor. Ik schiet wel eens een millimetertje of vijf uit mijn slof, maar verder…

Tuurlijk, soms heb ik onenigheid met de Lange Man en vind ik na langdurig geblaf van zijn kant, dat ik moet laten zien dat ik ook heus grenzen heb. Dan sta ik dus met het angstzweet klotsend onder de oksels mijn vluchtreflex te negeren en een beetje boze dingen te piepen. Nooit iets wat ik niet meen of niet waar kan maken, uiteraard, de rem blijft er ook in fight-modus netjes op. Maar ja, als je het niet van harte doet, dan wordt het niet veel met dat ruziemaken. Zoals die keer dat ik, na een verzengende (en grammaticaal perfecte) repliek, met grote stappen de kamer verliet en – met de drempel in zicht – mijn kleine teen zo’n beetje tot poeder stootte tegen de poot van het bed. Hinkend exit. Zo jammer.

Nee, ruziemaken is niet mijn ding. Gelukkig kan de Lange Man dat heel goed alleen, ruzie met mij maken. Maar dan blijft nog het feit dat hij dan boos op mij is, überhaupt boos is, en ook daarvan krijg ik het behoorlijk op mijn zenuwen.

Als anderen boos op mij zijn, of als daar zelfs maar een vage kans op is, treden namelijk ook al mijn verdedigingsmechanismen in werking. Vroeger al: ik was altijd bang dat mijn moeder boos op me werd. En nu nog: paniek als ik per ongeluk een fietser geen voorrang verleen, iets vijf minuten later mail dan afgesproken, niet op tijd in de gaten heb dat er in de rij voor de kassa iemand achter me staat met maar één boodschapje, terwijl ik voor een weeshuis of drie boodschappen op de band sta te zwiepen. Oh jee, oh jee, ik heb iemand geërgerd, ik ben niet goed genoeg, ik mag niet meer meedoen, wat vreselijk! Ook van boosheid waar ik niets mee te maken heb, krijg ik het benauwd. Discussieprogramma’s kijk ik niet, zelfs met glas ertussen worden al die emoties me teveel. Wilders? Zap. Ruzie in de tram? Direct proberen te sussen en anders wegwezen.

Het is eigenlijk een soort emotionele smetvrees, nu ik er zo over nadenk. Wat de een met vieze keukenkastjes heeft, heb ik met negatieve emoties. Mijn omgeving moet liefst vrij van boosheid zijn, elke irritatie moet direct worden weggepoetst of bij voorkeur zelfs voorkomen. En zie dat maar eens voor elkaar te krijgen in een wereld waar boosheid epidemische vormen heeft aangenomen. Kinderen zijn boos op hun ouders, ouders zijn boos op school, leerkrachten zijn boos op de politiek, iederéén is boos op de politiek en er zijn steeds meer politici die fulltime boos zijn. Net als rappers, columnisten en zelfs hele websites. Boos kijken, boos dansen, boos zingen, boos schrijven… Er wordt goud geld verdiend met boosheid, zelfs als we de hele oorlogsindustrie buiten beschouwing laten. En het is werkelijk overal. Van speelgoed (Angry Birds! Lego!) tot tattoos, zelfs de koplampen van mijn auto fronsen boos. Iets wat ik overigens probeer te compenseren met een felroze stroomtankklepje.

En nee, zelfs ik vind niet dat iedereen altijd maar vrolijk moet zijn. Teleurgesteld, chagrijnig, geïrriteerd, het hoort er allemaal bij. Maar boosheid is voor mij hetzelfde als negatief, egoïstisch en agressief. Via loos getier en makkelijk vingerwijzen krijgen anderen de schuld, het goede moet kapot en medemenselijkheid en verbondenheid verdwijnen. En van die hardheid word ik ongelofelijk verdrietig. Soms ook boos, laat ik eerlijk zijn. Alleen probeer ik dat niet klakkeloos op Facebook of in iemands gezicht te gooien. En aangezien het opvreten van boosheid nog ongezonder is dan kettingroken en binge-eating samen, ga ik aan de slag met de mantra erkennen, verzachten en loslaten. Probeer ik te kiezen voor compassie. En er vervolgens wat goeds van te maken. Een column of zo.