Alles is (on)mogelijk

30 augustus 2016

Als obesitas het nummer één gevaar voor ons lichaam is, dan is ‘alles willen’ dat voor de geest. Ongeveer iedereen heeft tegenwoordig last van keuzestress. Ik ook. Ik wil alles en het liefst alles op hetzelfde moment. Elke dag zijn er zelfs in mijn saaie wijk al te veel dingen te doen. En die komen dan bovenop het lijstje van musea, natuurgebieden, steden en andere zaken die ik ooit nog wil bezoeken. Dat dan weer bovenop het lijstje komt van dingen die ik echt een keer wil knutselen, leren, repareren, posten, ontharen, opruimen of kopen. Daar ergens onder ligt een briefje met goede voornemens op het gebied van familie, relaties en zorgen voor anderen en mezelf. En dit zijn dan alleen nog maar de dingen die ik wil. Over dingen die ik moet als brave burger, moeder en zzp’er heb ik het nog niet eens gehad.

Ik wil alles, behalve nee zeggen. En daardoor heb ik het druk. Van dat vier klussen van zes uur, het huishouden, sociale contacten, sport en een minimale dosis zelf-zorg in één dag proberen te proppen-druk. Plus eten, ’n keertje praten met de Lange Man, seks… Van die dingen. Dus toen vriendin M. mij vroeg of ik zin had om een cursus Mindfulness te gaan doen, zei ik direct ‘ja’. Althans, nadat ik telefonisch had geïnformeerd of het geen verkapte praatgroep was waar vrouwen onder zware groepsdruk hun problemen moesten delen en samen urenlang huilend herkauwen. Dat zou het absoluut niet worden, verzekerde de mindfulnessmevrouw mij. De btw was ook aftrekbaar en ik kon er parkeren, dus hop. De komende drie maanden was mijn dinsdagochtend voor mezelf.

Van half tien tot twaalf zou ik mij laven aan rustgevende muziek en dito thee en wijsheden, om vervolgens met nieuwe energie nog meer dingen te kunnen gaan doen. Dacht ik. Want de werkelijkheid was uiteraard anders. Om te beginnen kregen we de opdracht om elke dag een uur te mediteren. Elke dag! Stress, want daar had ik toch helemaal geen tijd voor! Overdag ben ik aan het werk en moet ik bereikbaar zijn, ’s avonds val ik erbij in slaap en in het weekend staat er binnen no time een kind naast me met een belangrijke vraag over Lego en/of de oorsprong van het leven. ’s Ochtends een uur eerder opstaan leek in theorie een goede oplossing, maar voelde in praktijk zo ongelofelijk als inleveren, dat ik daar heel snel mee ben gestopt. Extreem irritant dus. En dat was precies de bedoeling. Want het zette me flink aan het denken over de dingen die ik wil en doe. En ik moest concluderen dat die niet noodzakelijkerwijs hetzelfde zijn. Dat ik toch wel vastzit in allerlei patronen en dat ik het lastig vind om die te veranderen. Dat ik mezelf stiekem tussen allerlei kaders en taken heb gewrongen en het heel pittig vind om ruimte voor mezelf te maken. Dat ik het zelfs moeilijk vind om dat hier op te schrijven. Omdat ik in wezen bang ben dat ik, als ik mijn kaders van werk en verantwoordelijkheden loslaat, mijn vorm verlies. In elkaar zak als een ei zonder schaal.

Nou ja, er kwam die eerste week dus al een hoop emotie los. Gevoelens die ik in de weken erna met vallen en opstaan een béétje heb leren erkennen en laten zijn. Want ik leerde ook dat je het soms even niet weet, en dat dat mag. Dat niet alles in één keer goed hoeft, zelfs niet bij mij. Dat je kunt kiezen hoe je omgaat met druk en tegenslag, ervoor kunt zorgen dat het je minder raakt, in plaats van standaard terug te vallen op zelfverwijt, stress en chips. Dat ik in plaats van te kiezen tussen activiteiten, moet kiezen voor mezelf. Dat ik mijn eigen koers wil varen, en dat ik, omdat te kunnen doen, de hand in eigen harnas moet steken. Om te voelen wat ik – ik! – nou echt wil. En dat is heel, heel moeilijk. Maar dat is oké.